Penalties Print

Je hoopt hem waarschijnlijk vaker te krijgen, dan dat je 'm ook toegewezen krijgt: een penalty.
Maar mocht je dan toch een penalty toegewezen krijgen, dan heb je mischien wat aan het onderstaande artikel:

Een voetballer moet een strafschop met minimaal 104 kilometer per uur in de bovenhoek schieten om zeker te zijn van een doelpunt. Dat hebben Britse wetenschappers berekend.
 
De onderzoekers van de Liverpool John Moores University analyseerden honderden strafschoppen op beelden van camera’s die door televisiezender SkySports achter het doel waren geplaatst bij topwedstrijden.

Op basis van de videobeelden stelden de wetenschappers vast hoe een strafschop zo effectief mogelijk kan worden ingeschoten. Dat meldt de Britse krant Daily Telegraph.

Om de ‘perfecte penalty’ te nemen, moet een speler een aanloop in een hoek van 20 tot 30 graden nemen ten opzichte van de bal. 

Vervolgens zou de bal met een snelheid van minimaal 104 kilometer in de bovenhoek moeten worden gemikt: ongeveer een halve meter onder de lat en een halve meter langs de paal.

“Er zijn heel veel factoren die samen leiden tot de perfecte penalty”, aldus onderzoeksleider Tim Cable. “Maar nu hebben in ieder geval de belangrijkste onderdelen in kaart gebracht.”

Ben je nu de keeper die de bal tegen moet houden, dan heb je mischien meer aan het onderstaande artikel:


Bewegingswetenschapper Geert Savelsbergh over waarom keepers zo belabberd weinig strafschoppen tegenhouden.

 

Het kan het beslissende moment van de wedstrijd zijn. Je hart bonkt in je keel, het koude zweet breekt uit. Ook al is het stadion bomvol, jij staat daar in je eentje. Oog in oog met een vastberaden schutter. Die schutter moet het ook alleen doen, maar heeft ten minste de statistiek aan zijn zijde. Want volgens de cijfers gaan er nog altijd meer strafschoppen in dan er door een keeper worden tegengehouden.

Volgens Geert Savelsbergh, bewegingswetenschapper aan de Vrije Universiteit Amsterdam, heeft dat alles te maken met hoe doelmannen kijken. Sommigen staren te lang, anderen kijken te kort en een volgende richt zijn ogen op de verkeerde zaken. Eén ding is volgens Savelsbergh zeker: kijk je te lang, dan ben je te laat. Duik je te vroeg, dan ben je overgeleverd aan kans.

De kunst is om zoveel mogelijk informatie uit het lijf van de schutter te halen, voordat hij schiet. Savelsbergh: "Dat moet wel erg snel, want tussen het moment dat een speler de bal op de stip legt en zijn voet de bal raakt, zitten pakweg vier seconden."

Enkele jaren geleden testte Savelsbergh het kijkvermogen van ervaren en minder ervaren keepers met behulp van een computerspel. Dat bestond uit 63 korte clips van voetballers die een penalty namen, recht op de speler van het spel af. Ze schoten de bal linksboven, linksonder, middenboven, middenonder, rechtsboven of rechtsonder in het doel. Het waren spelers van het tweede team van PSV, die Savelsbergh een hele dag met een camera in het doel filmde.

De keepers kregen verschillende filmpjes te zien en moesten met een ruk aan de joystick aangeven welke hoek ze in zouden duiken en wanneer. Niet verrassend deden de ervaren keepers het beter dan hun meer onervaren collega's. Opvallend was dat zij hun duik een stuk later inzetten. "Trokken de onervaren doelmannen gemiddeld een halve seconde voor de aftrap aan hun joystick, de professionals bewogen die pas twee- tot driehonderd milliseconden voor het schot", zegt Savelsbergh.

Bovendien keken ze anders. De ogen van de profs zwierven als het ware over het lichaam van hun opponent, beginnend bij het hoofd en eindigend bij de voeten. Hoe meer de ogen zwierven, hoe beter de scores van de keepers. Savelsbergh kon de oogbewegingen volgen door middel van een kleine camera en een spiegeltje gericht op de ogen van de doelmannen, beide bevestigd aan een hoofdband. De minder goede keepers fixeerden hun blik vooral op één punt. Bijvoorbeeld op de ogen of de heupen.

Dat 'zwerfgedrag' van de ogen gebruiken twee studenten van Savelsbergh nu in een volgend experiment. Hun vraag is of keepers beter kunnen worden als zij hun ogen leren zwerven.

Paulien van Kampen en Peter van Gastel lieten - onervaren - medestudenten in het echt en virtueel keepen. Op het gras moesten zij hun beginnerskunsten vertonen. Van Kampen en Van Gastel filmden hun proefpersonen en hielden precies bij wie wat waar tegenhield. In het lab werd vervolgens tweederde van hen getraind. De overige tien studenten vormden de controlegroep en kregen geen training.

De twintig die wel het lab in gingen, werden verdeeld over twee groepen. De eerste kreeg simpelweg de filmpjes van de penalty's te zien en mocht de ballen met de joystick proberen te 'stoppen'. De proefpersonen uit de tweede groep kregen wat extra hulp. Zij zagen in de clips een lichte vlek over het lichaam van de schutter bewegen. Geleidelijk verschoof die van het gezicht, via het bovenlijf en de heupen richting voeten, op dezelfde manier als de ogen van de beste keepers uit het vorige onderzoek.

"In het begin raakten de meesten nogal in de war van die rare vlek, die ze eerder afleidde dan hielp", vertelt Paulien van Kampen. "Maar daarna keken ze er volgens eigen zeggen dwars doorheen."Aan de oogbewegingen van de studenten leidden Van Kampen en Van Gastel echter af dat ze niet door de vlek heen keken, maar die juist volgden. Zonder dat ze het zelf doorhadden.

Na de training in het lab bleken deze studenten een stuk beter geworden te zijn. Ze bewogen hun joysticks in vier van de tien gevallen naar de goede hoek. Bij acht van de tien strafschoppen zaten ze soms te hoog of te laag, maar kozen wel de goede kant. De zonder vlek en ongetrainde studenten bakten er echter nog steeds bijzonder weinig van. Hoe de proefkeepers het in een echt doel, op het gras doen, moeten Van Kampen en Van Gastel nog testen.

"Het lijkt er dus op dat de kijktraining helpt", zegt Savelsbergh. "Wat we hierna natuurlijk graag willen doen, is onderzoeken of we met deze methode jeugdkeepers beter kunnen maken." Maar profs kunnen er ook gemakkelijk mee oefenen. Elk filmpje duurt circa vier seconden, dus veel tijd zijn ze niet kwijt met een flinke sessie. Ze kunnen er zelfs thuis even voor gaan zitten, tijdens een verloren half uurtje.

"Jammer is alleen dat voetballers nogal conservatief zijn.", vindt Savelsbergh. "Ze houden niet zo van nieuwe dingen. De meeste keepers doen maar wat; ze kiezen gewoon een hoek. Zonder echt gebruik te maken van de informatie die voorhanden is, zoals de stand van het stambeen van de schutter, die echt wel wat over de richting van de bal zegt. En veel spelers kijken domweg - vaak nog hartstikke opvallend ook - naar de plek waarheen ze bal willen schieten. Maar goed, zo ging het ook met de klapschaats. Daar wilde in het begin ook niemand aan. Pas toen die kleine Tonny de Jong ineens stukken sneller reed dan Gunda Niemann, werd de klapschaats een hit. Zo'n overdonderende gebeurtenis is blijkbaar nodig om de ogen te openen."

Maar ja, als de ogen van alle keepers straks door en door getraind zijn, blijft er weinig lol over voor degenen die de strafschoppen moeten nemen. En veel voetballers vinden dat nu al niet leuk. Tip voor hen, volgens Savelsbergh: zorg dat de keeper zo weinig mogelijk informatie uit je lijf kan halen. Nu kunnen spelers zichzelf moeilijk onzichtbaar maken, maar een deel kunnen ze wel degelijk verbergen. "Ken je die reclame waarin Luca, voordat hij een penalty neemt, zijn shirt over zijn hoofd trekt? Nou, dat is de beste manier om te schieten. Zo verraden in ieder geval de ogen niks."

Klik hier voor meer trainingstips.

Reactie (0)add
Geef jouw reactie

busy
 

@FcMeiden

Kon helaas geen tweets vinden